Brede preventievisie
Het LOT-i heeft op uitnodiging van de Projectgroep Brede Preventie van het Ministerie van VWS een visie geformuleerd om te komen tot een efficiënte en krachtige infrastructuur voor gezondheidsbevordering in Nederland. Deze visie is op 1 mei 2007 aan de projectgroep toegezonden en geeft gezamenlijke standpunten van de leden van het LOT-i op een aantal belangrijke thema's. Deze standpunten worden regelmatig geactualiseerd op basis van nieuwe ontwikkelingen en inzichten.
Gezondheidsbevordering kan zich in een toenemende belangstelling van de overheid verheugen. Nederland beschikt met de thema-instituten over expertisecentra gericht op de verschillende domeinen van gezondheidsbevordering, die uitstekend zijn toegerust om handen en voeten te geven aan het Nederlandse beleid door middel van nationaal en internationaal ontwikkelde interventies op het terrein van preventie en andere vormen van 'evidence based' gezondheidsbevordering.
Echter, in de discussies over preventie - mede in het licht van de oprichting en opbouw van een Centrum Gezond Leven bij het RIVM - blijkt dat het beeld over samenwerking en kwaliteit van de gezondheidsbevordering niet altijd even duidelijk is of de grondslagen daarvan soms niet goed worden begrepen. Dit geldt ook voor onderdelen, zoals de algemene publiekscampagnes. In het verleden hebben publiekscampagnes plaatsgevonden die aantoonbaar hebben bijgedragen aan gezonder gedrag (bijvoorbeeld roken of veilig vrijen).
Daarnaast concentreren de thema-instituten zich niet uitsluitend op gezondheidsbevordering, maar ook op gezondheidsbescherming en sommige zelfs actief zijn op de terreinen van care en cure. De meeste thema-instituten maken deel uit van internationaal netwerken op het terrein van hun thema en sommige voeren ook projecten in het buitenland uit.
De thema-instituten hebben waardering voor het initiatief van het huidige Kabinet om breed te kijken naar preventie en het in verband brengen van alle zaken die daarbij een rol spelen. Vooral is van belang dat integraal gekeken wordt naar de noodzakelijke verbinding tussen cure-care en preventie. Wij presenteren hierbij onze gezamenlijk visie in de vorm van zes uitgangspunten voor een effectief en efficiënt gezondheidsbevorderend beleid in Nederland.
1. De regiefunctie ligt bij het ministerie van VWS
Er vindt te veel versnippering van initiatieven en (stimulerings)projecten plaats die weinig toevoegen aan de reeds beschikbare "body of knowledge", laat staan dat ze helpen om wat we nu inmiddels weten van "wat werkt in preventie" duurzaam uit te zetten. Bewezen werkzame interventies worden onvoldoende benut en er is sprake van inefficiënte en in-effectieve inzet van middelen, doordat verschillende partijen los van elkaar initiatieven ontplooien.
In onze optiek moet VWS de regie krachtig ter hand nemen en moeten andere partijen binnen kaders van het ministerie VWS opereren. Deze regie functie houdt in dat:
- VWS de hoofdlijnen van het beleid vaststelt en tevens de financiële kaders.
- Dat de ondersteuningsfunctie wordt gedelegeerd naar het Centrum Gezond Leven van het RIVM ondersteunt het regionale en lokale beleid en faciliteert hierin de thema-instituten en andere spelers, ook als ZonMWw daartussen zit voor kwaliteitstoetsing. Het CGL zorgt in samenwerking met de thema-instituten voor de regie op de uitvoering, het bundelen van kennis over werkzame interventies, de samenhang in onderzoek naar (kosten)effectiviteit van gezondheidsbevordering en evaluatie en -advisering.
- het Ministerie van VWS organiseert via de thema-instituten voor de ontwikkeling en implementatie van beleid dat leidt tot effectieve gedragsverandering en gezondheidswinst op hun onderscheiden terreinen, bijvoorbeeld door de ontwikkeling van leeflijnen.
- Verder coördinatie van directe en indirecte subsidiestromen door VWS bij het uitzetten van subsidie aan andere partijen voor het lokaal gezondheidsbeleid. Er zou bijvoorbeeld als voorwaarde kunnen worden opgenomen dat gebruik wordt gemaakt van bewezen werkzame interventies van expertisecentra. Dat stuurt andere spelers in de goede richting.
- Inrichten van een organisatiemodel voor de uitvoering in de regio moet in samenspraak met de lokale en regionale gezondheidszorg worden vormgegeven. Hierbij ligt de spilfunctie bij de GGD'en die ondersteund door het CGL en in samenwerking met de thema-instituten inhoud geven aan de preventie functie.
2. Het Centrum Gezond Leven brengt structuur aan en creëert meerwaarde
De thema-instituten ondersteunen het Centrum Gezond Leven (CGL). Belangrijk daarbij is de juiste positionering ten opzichte van de gemeenten en de VNG, GGD Nederland, de GGD-en, de thema-instituten, de GGZ, de verslavingszorg, de thuiszorg, het welzijnswerk en de curatieve sector. Tevens zijn van belang het aanbrengen van structuur, het creëren van toegevoegde waarde t.o.v. alle partijen en het behalen van gezondheidswinst.
- Het CGL moet vooral praktijkgericht, laagdrempelig en gezaghebbend zijn, waarbij naar de mening van de thema-instituten het sturen op aanbod naar lokale actoren, heldere en meetbare doelstellingen in twee jaar, directe aansluiting op de agenda van VWS, goede aansluiting bij het lokale en landelijke veld en passende financiering kritische succesfactoren zijn.
- Het CGL zou de kennis over effectief bewezen interventies en goede praktijken over het gehele terrein van de gezondheidsbevordering moeten bundelen, evenals methodische kennis die niet afhankelijk is van een specifiek thema. Specifieke kennis is binnen de thema-instituten aanwezig. Lacunes in het veld die opgepakt moeten worden, worden hierdoor ook beter zichtbaar. De insteek hierbij is dat specifieke thema's worden opgepakt door de thema-instituten en de algemene door het Centrum voor Gezond Leven.
- Een goede samenhang van het CGL met andere centra binnen het RIVM is cruciaal.
- Het CGL kan tegemoet komen aan de behoefte aan een breder inzicht in de kosteneffectiviteit van gezondheidsbevordering over het gehele terrein. Hiermee kan worden gestuurd op een meer effectieve en efficiënte programmering van interventies. Op dit moment wordt onderzoek op het terrein van de gezondheidsbevordering onvoldoende systematisch gepland en uitgevoerd.
- Het CGL kan zijn rol in de regie op de uitvoering op verschillende manieren vorm geven: kwaliteitsborging, facilitering van de relatie tussen lokaal en landelijke partijen.
- Voorts moet het CGL een rol krijgen in het evalueren van de voortgang van het gezondheidsbeleid, mede op geleide van prestatie-indicatoren voor de implementatie van lokale programma's.
3. In de uitwerking van het beleid spelen de thema-instituten als expertisecentra een centrale rol
Het beleid moet duidelijk zijn: per thema 1 verantwoordelijk instituut = thema-instituut = expertisecentrum. We moeten er voor waken dat beschikbare expertise versnipperd raakt over diverse lagen en actoren. Kwaliteit is hierbij het uitgangspunt.
Onderzoek en uitvoering op een specifiek gezondheidsthema is primair de verantwoordelijkheid van het expertisecentrum en moet gelinkt zijn aan de behoefte in de praktijk. Het expertisecentrum stelt zich ten doel het beschikbaar stellen van een samenhangend pakket van preventieve interventies die leiden tot effectieve gedragsverandering en gezondheidswinst op zijn thema. De ontwikkeling vindt daarbij plaats in samenwerking met professionals en doelgroepen.
4. Er moet een robuust systeem uitgewerkt worden dat de kwaliteit van interventies toetst
Dit dient te worden georganiseerd door de inrichting van een gedegen certificeringssysteem van de geboden interventies. Voor de uitvoering van het certificatieproces moet een organisatie belast worden die zorg draagt voor consistentie en een voldoende niveau van effectiviteit in de praktijk (ook in internationale vergelijking). Dat vraagt expertise op methodologisch en procedureel gebied. Een nieuw CGL dient deze rol te vervullen. Als een robuust systeem van certificatie van bewezen werkzame interventies beschikbaar is, mag VWS van partijen (ook GGD'en, gemeenten) verlangen dat daarvan gebruik wordt gemaakt, in het kader van doelmatige besteding van overheidsmiddelen.
5. Rol ZonMw in de toetsing van leefstijlcampagnes van expertisecentra
De thema-instituten ervaren de kwaliteitstoetsing van ondermeer leefstijlcampagnes via ZonMw stimulerend voor de kwaliteit. Er mag wel gekeken worden naar de bureaucratische last, onder andere vanwege de projectbenadering (onze voorkeur heeft een programma-benadering). ZonMw moet werken binnen de kaders van het beleid van VWS, zodat wordt voorkomen dat expertisecentra in een spagaat komen.
Als zowel de kwaliteit van de interventies als de campagnes extern getoetst worden, kan de overheid verantwoorden de uitvoering van een beleid voor één thema te beleggen bij één instituut. Zo wordt versnippering en inefficiëntie tegengegaan.
6. INVESTEER NU, en vooral in de uitvoering!
De aandacht ging tot nog nu wel erg naar structuren, waardoor werd vergeten dat er heel weinig geld beschikbaar is voor preventie. De verhouding tussen beleidsmakers en uitvoerders is een belangrijk punt van aandacht. Uit oogpunt van transparantie zouden de activiteiten van alle betrokken lagen en actoren - net zoals van de thema-instituten wordt gevraagd - volgens de VBTB-methodiek moeten worden op gesteld. Zo wordt voorkomen dat een waterhoofd wordt gecreëerd.
[geactualiseerd 22-06-2009]

